Op een goeie dag keilde Juffrouw Kate haar krijtje door het venster naar buiten, borg definitief haar rode balpen op en wandelde fluitend of jodelend de schoolpoort uit op weg naar een nieuw leven als muzikant. Desert gypsy rock, zo omschrijft ze het genre dat ze bedrijft. En daar valt iets voor te zeggen, al hoor ik op haar meest recente plaat ‘Things Look Different When The Sun Goes Down’ meer desert gypsy dan rock. Kate is opgegroeid in het zuidwesten van de VS, lekker dicht bij Mexico. De sfeer en het landschap van New Mexico, waar ettelijke westerns gefilmd werden, zijn in haar liedjes geslopen. Zo kan je je goed voorstellen dat zich op het kruispunt van twee stenige zandwegen of zanderige steenwegen, als het stof gaan liggen is, een heerschap aandient dat zich voorstelt als de duivel en prompt een bod op je ziel doet. Kate heeft alsnog niets verkocht, maar denkt er in ‘Robert Johnson Knew’ alvast ernstig over na. Mooie bluesy harmonica. ‘Here Again’ doet muzikaal een beetje denken aan ‘Killing The Blues’ en is een mooi liedje over hoe mensen soms keer op keer dezelfde stommiteiten begaan. Kate zingt hier met een berekende onderkoeling en dat werkt wel. Daarna komt ‘Needles And Pins’ en daarbij valt ons plots op dat Kate eigenlijk twee stemmen heeft: de donkere onderkoelde, genre Margo Timmins, en de ietwat meisjesachtige, genre Dar Williams. Op ‘Funny Thing’ haalt Kate haar paard van stal. Net als het titelnummer en opener van de plaat is dit meer uptempo werk. Akoestische strum, wat reverb gitaar erbij en enkele welgemikte boogstreken op een viool. De mooiste liedjes echter, zijn te vinden op de tweede helft van de plaat. De epische ballade ‘In A Movie’ met prachtige gitaar- en cellobegeleiding. In ‘Bird In My House’ haalt Kate vocaal wat steviger uit en dat mist zijn effect niet. Maar helemaal raak is het in ‘Drag The River’. Dreigende song over verlies en gemis. Een voetstap in het zand op de oever waar even eerder nog iemand stond. Drag the river. Ook het slotnummer ‘You Can Have My Heart’ is erg mooi. Een walsje in mineur voor gitaar, hammond orgel en zingende zaag. We wilden dat Kate vaker zo experimenteerde. Ons eindoordeel: een plaat die wat braaf en gezapig op gang komt maar die naar het einde toe gevaarlijk scherpe kantjes krijgt, en daar houden wij van. Op haar volgende plaat mag Kate vanaf het begin haar tanden laten blikkeren!
zondag 30 november 2008
Things Look Different When The Sun Goes Down
zaterdag 29 november 2008
Build Me a City
Patrick Thomas timmert al een tijd aan de weg. Er was eerder een album met de Patrick Thomas Theory band, veel touren, voorprogramma’s spelen en aan het einde van de rit geen cent meer over. Hij is dan twee jaar gaan werken in een of ander kantoor of zo, heeft zich het brood uit de mond gespaard om ondertussen voor ons deze heerlijke plaat op te nemen.
Ik vermoed dat ten huize Patrick Thomas in Brooklyn veel platen in de kast staan die er bij mij thuis ook staan. Ik weet in elk geval niet welke muzikale referentie eerst vernoemd. De plaat is in essentie akoestisch. Elk van de tien songs rust op een lekkere basisriff, aangekleed met verfijnd elektrisch gitaarwerk, hier en daar blazers en bovenal hemels orgelwerk. Er wordt al eens een koortje ingehuurd om een ‘pa-pa-pa’ of ‘oe-wa-oe’ te swingen. En sinds Buddy Holly’s tijd is er op geen effectievere manier gebruik gemaakt van het wat lullige glockenspiel. Thomas’ stem en zang bevallen mij zeer. Denk aan Jacob Dylan of A. J. Croce, gemengd met een vleugje John Hiatt of zelfs Graham Parker, zonder ooit echt scherp te worden. Of Adam Duritz van Counting Crows. De songs zelf leven aan de sunny side of life. Er is al eens ruimte voor melancholie en introspectie, maar voluit miserie, dat niet. Patrick Thomas houdt zijn donkerste gedachten voor zichzelf. Die houding heeft hem meteen een pareltje van een song opgeleverd: ‘Here’s to You’, over een relatie die stukgelopen is op ‘the wall’ die hij zelf zegt te zijn. Iets meer geeft hij zich bloot in ‘Anymore’: Don’t you call me your friend or on the phone/Don’t you dare when you’re alone. En wat verder, I’m sending you my pain via US Mail/I could have thrown out all your things but then you’d never known, and then you wouldn’t care… ‘Fire Escape’ is een finger-picking ode aan New York en Paul Simon, gevolgd door ‘Track Ten’, het slotnummer dat sober inzet en dan naar een denderende climax klimt, die schatplichtig is aan het betere Wilco-werk: I guess I’ll start living, maybe start giving a shit... En dan heb ik u nog niets verteld over ‘Metaphor’ de heerlijk swingende opener met een orgeltje à la Lily, Rosemary and the Jack of Hearts van Dylan senior. Of over ‘Last First Kiss’ dat iets van een Joe Henry feeling meegekregen heeft. Of over... eigenlijk doe ik elke song die ik niet aanhaal onrecht aan. Op deze plaat staat geen enkele filler. Laat mij misschien afsluiten met een speciale vermelding van ‘Get Away’. Opent met de akkoorden van Streetfighting Man van u-weet-wel, gevolgd door het orgeltje van Like A Rolling Stone van u-weet-eveneens, om dan ongenadig door te stomen tot iedere twijfel weggenomen is. Patrick Thomas is een zeer Grand Cru.
Wat zit u hier nog te lezen? U had al lang in de patenwinkel moeten staan!
zondag 23 november 2008
At 89
Als u een afficionado van rootsmuziek bent, dan is Pete Seeger ongetwijfeld al meermaals op uw radar verschenen. Pete ís namelijk een ‘root’ van de muziek. Als je bedenkt dat Pete ooit nog met Woody Guthrie en Leadbelly samen gespeeld heeft, dan kan dat ook moeilijk anders. Pete is intussen 89, zijn armen zijn dun als de nek van zijn onafscheidelijke banjo, zijn stem luidt wat stiller, maar hij heeft nog niks van zijn innerlijke kracht verloren. Hij is nog steeds, in willekeurige volgorde idealist, activist, folkzanger. En eentje van formaat!
At 89 is geen studioalbum. De songs zijn her en der opgenomen met wisselende bezettingen. Alles ‘unplugged’ uiteraard – get me an axe, remember? Tweeëndertig tracks lang grasduint Pete in zijn oudere repertoire en serveert een aantal nieuwere liedjes van eigen hand. Er zijn enkele instrumentale banjo-riffs en een flink deel mooi gearrangeerde traditionals. Dit alles doorspekt met spoken word fragmenten waarin Pete ons het hoe en waarom uit de doeken doet. De opnames klinken zeer organisch en compromisloos. Hier is een artiest aan het werk die doet wat hij graag doet en nog steeds zijn ei kwijt moet.
Sommigen zullen Pete intussen vooral kennen als de Seeger uit We Shall Overcome: The Seeger Sessions van Bruce Springteen. Op die magistrale plaat brengt Springsteen een rits klassiekers uit Seeger’s repertoire, gearrangeerd met toeters en bellen, veel toeters en veel bellen. Wie van die plaat genoten heeft, moet nu maar eens naar Pete zelf luisteren en zo ontdekken dat The Boss slechts een klein facetje van Seeger’s genie heeft belicht.
Hoogtepunten op At 89 zijn ongetwijfeld Waist Deep In The Big Muddy en False From True, beide klassiekers geschreven in de jaren ‘60 maar nog steeds actueel. Meer recent is Or Else! Een niet mis te verstane verwittiging dat wij mensen beter eens goed kunnen nadenken over wat wij aan het doen zijn, or else... En zo heeft Pete er nog wel een paar. If It Can’t Be Reduced is een op muziek gezette verordening van de stad Berkeley over duurzame ontwikkeling – kan iemand hem een copie van VLAREM I en II opsturen aub? Little Fat Baby, How Are We Gonna Save Tomorrow en If This World Survives zijn bedenkingen bij de manier waarop wij onze planeet en maatschappij nalaten aan wie na ons komen. En vooral hoe dat beter zou kunnen dan we nu bezig zijn te doen. Pete is een idealist, altijd geweest, en hij is iemand die peace love en understanding kan prediken zonder dat dat ongeloofwaardig of zelfs maar naïef klinkt. Pete Seeger is de grootvader die ik iedereen toewens.
Op At 89 staan ook enkele erg mooie van tekst voorziene melodieën van Beethoven en Bach. Visions Of children en We Will Love Or We Will Perish laten geen mens onberoerd. En dit zou geen Pete Seeger plaat zijn als er niet ook enkele rasechte folksongs opstonden. Wie vergeten is hoe pakkend echte authentieke folksongs kunnen zijn, luistere eens naar Bach at Treblinka, over een orkest van gevangenen dat in het beruchte Nazi-kamp elke morgen moest spelen terwijl de slaven naar hun werkplaats marcheerden. Of naar Tzena, Tzena, Tzena, een oorspronkelijk Hebreeuws lied dat de jongeren van het dorp oproept om naar buiten te komen en te dansen, niet verlegen te zijn. Pete liet een Arabische strofe toevoegen aan de tekst en zo onstaat een lied met een heel andere dimensie. Prachtig.
Op Woody Guthries gitaar stond ‘This Machine Kills Fascists’. Op Pete’s banjo wordt dat ‘This Machine Surrounds Hate And Forces It To Surrender’. Hopelijk volgen weldra At 90 en At 91. Pete stopt niet. Waarom zou hij?
vrijdag 14 november 2008
Little Honey
Ja, het is tegen het zere been, dat weet ik. Maar er is over deze plaat dan ook al zoveel onzin geschreven... Er zouden tenenkrullend slechte liedes op staan, het zou een samenraapsel van afdankertjes zijn, kortom, haar sléchtste plaat ooit. Gezever! Ik heb een theorietje dat verklaart waarom sommigen zo ontgoocheld zijn.
Lucinda verscheen tien jaar geleden op de recensentenradar met Car Wheels On A Gravel Road. Lu heeft in al die tijd weining liedjes geschreven die de luisteraar zinderend van jolijt door de huiskamer doen dartelen. Kommer en kwel, liefde op basis van snel aflopende huurcontracten, alleen de vergeving Gods kan nog hoop brengen. En alcohol. In de Handelbeurs in Gent waarschijnlijk Duvel. Intraveneus ingebracht dan. Toen ze buitenwaggelde na een magistraal concert, was de Stetson op haar hoofd het enige dat nog verticaal van horizontaal kon onderscheiden. Ergens onderweg naar het Westen, moet Lucinda dan toch in de netten van het geluk verstrikt geraakt zijn en dus brengt zij vandaag op Little Honey een andere boodschap, een ander geluid. Ma, ik ga mij in mijn armen kerven en mij dan van de brug smijten, maakt doorgaans meer indruk dan Ma, ik heb een nieuw lief en hij heet Lucien. En daarom haken sommige recensenten af. Ook al omdat Lucinda op deze nieuwe plaat een stevige dosis twang aan de sound toegevoegd heeft. Sommige mensen zijn allergisch aan twang. Ik niet. Luister naar het prachtig mooie Jailhouse Tears, een vettig duet met Elvis Costello over het liefdesgevecht tussen twee junks. Of neem Real Love. Opent met een valse start –symbolisch?- en dendert dan door als een betere Stones song, een soort liefdesbrief aan zichzelf. En dit wordt gevolgd door Circles and X's. Buiten regent het dat het giet, Mr. Wonderful is net de deur uit. Lucinda zit aan de keukentafel wat te kribbelen op een papiertje circles and x's by his name. Waarschijnlijk heeft zij op dat eigenste moment ook dit nog opgeschreven:
I used to play games with my boyfriends
Fashion and fame, hip little trends
Now I have a real man, don't have to pretend
And that's why I'm crying tears of joy
En denkt u zich daar dan nog de gitaar van Doug Pettibone bij in, die met kleine fijne trekjes à la Van Gogh kleur toevoegt. Meesterlijk! Geraakt u in de stemming? Minder subtiel, maar even sterk is Honey Bee... You've become my weakness, now I've got your sweetness all up in my hair. ‘t Is proper. En dan Well, well, well. Klinkt als een authentieke Hank Williams. Ook hier weer fantastisch gitaarwerk, zondermeer. De hele plaat door speelt de band met eerbied voor en kennis van de klassiekers, zonder ooit in clichés te vervallen.
Tussen deze lappen rock and country twang, heeft Lucinda enkele verstilde poëtische pareltjes verstopt. Die raken nu eens met de muziek, dan weer met woord. Eén quote mag ik u niet onthouden... If wishes were horses, I'd have a ranch. Come on baby, give me another chance.
En dat laatste is wat u ook moet doen. Vergeet wat u elders gelezen heeft en haal die plaat in huis. Zoekt u dan eens op in het boekje welk instrumentarium gebezigd wordt om Heaven Blues tot leven te brengen. Ik zie u nu al glimlachen. Wie Lucinda al eens live Skip James’ Hard Time Killing Floor Blues zag brengen, wist dat ze dit in zich had.
zaterdag 17 november 2007
Koen en Chuck
Koen,
Het schamel handvol mensen dat zich gisteren de moeite getroost heeft om naar Antwerpen te gaan, heeft méér dan waar voor zijn geld gekregen. En ik ga uitleggen waarom.
Wat leggen we Chuck ten laste?
Een. Akkoord, Chuck heeft niet lang gespeeld. Maar Chuck speelt bij mijn weten nóóit lang, edelachtbare.
Twee. Hij heeft -zoals gebruikelijk- wat gemopperd over het licht en de fotografen.
Maar die fotografen komen ook elke keer veel te dicht staan en iemand zou ondertussen toch moeten wéten dat Chuck het publiek graag ziet zitten en er niet van houdt om onder de spots weg te smelten. Een beetje concertorganisator hoort dat te weten.
Drie. Hij heeft zelfs af en toe een valse noot gespeeld. Ho maar, oei oei, een valse noot, meerdere zelfs! Hoe durft de oude legende? Moet Chuck nu op zijn 81ste terug naar de muziekschool?
Neen, vooral niet! Want Chuck ís de muziekschool. En hier start ik mijn pleidooi:
Al wie hem het bovenstaande kon vergeven, die kon horen hoe Chuck nog altijd op de meest geniale en hem eigen wijze zijn gitaar liet ronken, schokken en swingen. Hij bespeelt dat ding als zijn eigen ding-a-ling en dat doet niemand hem na. Wat had je nu gedacht, dat hij daar stomweg de riffjes van de plaat zou komen aframmelen? Was het dan goed geweest? Ik vond het juist indrukwekkend om te horen hoe hij in een Johnny B Goode, die hij ondertussen al zo een miljoen keer moet gespeeld hebben, nog kon verrassen. Zijn interactie met de pianist was boeiend. En die met zijn dochter Ingrid nog beter. Voor zij die er niet waren: Ingrid Berry is een soort Condoleeza Rice met strak achterovergekamde haren en zonder deux-pièceken die net voor een vlijmscherpe harmonicasolo haar naaldhakken losgespt, die het podium afwerpt en er dan gewoon onverdund invliegt.
Maar bovenal speelde Chuck zijn riffs het publiek in. Zijn gitaar was de afstandsbediening van zij die al eens met de heupen durfden schudden in de zaal. Uitgepuurde klasse. Bij Chuck zijn de noten die hij niet speelt, even belangrijk als degene die hij wél speelt.
Muzikanten van het kaliber van Chuck Berry die hebben lak aan hoe een liedje "zou moeten klinken". Die spelen en zingen en vinden zichzelf steeds opnieuw uit. Wacht, dat klinkt verdacht veel zoals Bob Dylan vaak omschreven wordt. En juist, over Bob Dylan's concerten wordt dikwijls in dezelfde termen gesproken en geschreven als degene die jij gebruikte... door mensen die er -volgens mij althans- niet veel van begrepen hebben.
Ga niet meer kijken naar de Bob Dylan's, de Jerry Lee Lewissen, de Lou Reeds en de Chuck Berry's van deze wereld. Die gaan je alleen maar ontgoochelen.
Ga eens luisteren naar Mark Knopfler. Die heb ik nog nooit een valse noot horen spelen. De laatste keer dat ik er was heeft de dame die Vorst Nationaal aan het aanvegen was, mij moeten wakker maken...
No hard feelings, ik vind je nog steeds een fijne radiomens.
dinsdag 9 oktober 2007
Red de solidariteit
Eddy Merckx: 'Ik ben tegen die separatistische uitspattingen van Vlaanderen. Ik mag dan al een Vlaming van oorsprong zijn, ik heb school gelopen in het Frans. En dat was een verrijking. Toen men mij destijds na een wedstrijd vroeg of ik Vlaming of Waal was, antwoordde ik altijd Ik ben een echte Belg. En zo voel ik het nog altijd aan.'
En als ik mij deze voortgezette allegorie mag permitteren: de Volksunie heeft ooit een gat laten vallen en opportunisten van het slag van Yves Leterme zijn erin gesprongen. Wieltjeszuigers zijn het, van de eerste tot de laatste. Ik wens hun toe dat ze binnen honderd jaar nog altijd rondjes rond Brussel rijden in hun zwart-gele truitjes!
Indien u zich daartoe geroepen voelt, verleg een steen en teken de petitie op http://www.reddesolidariteit.be/